Bloedsomloop

Het menselijk lichaam bestaat uit een zeer groot aantal cellen. Elke cel heeft voedingsstoffen en zuurstof nodig. Elke cel moet zijn afvalstoffen en koolstofdioxide kwijt. Dat alles moet bij de cel afgeleverd en opgehaald worden. Daarvoor is een fijnvertakt transportsysteem nodig: de bloedsomloop, met het hart en een stelsel van wijde en nauwe elastische bloedvaten. Het hart perst het bloed onder druk door het bloedvatenstelsel. Er is dus sprake van een bloeddruk. Een bloeddrukmeting is vaak een onderdeel van een onderzoek naar de lichamelijke conditie. Zo'n meting gebeurt steeds op dezelfde plaats van het lichaam: bij de bovenarm, op de hoogte van het hart. En dat gebeurt ook steeds onder dezelfde omstandigheden: bij een lichaam in rust.

Je onderzoekt waarom een bloeddrukmeting steeds wordt uitgevoerd op dezelfde plaats (bovenarm) en onder dezelfde omstandigheden (lichaam in rust). Je voert dat onderzoek uit met een mechanisch model van de bloedsomloop. Ten slotte probeer je de resultaten van het experimenteel onderzoek te verklaren met behulp van de wetten van de vloeistofmechanica.

Voorkennis

Voor het uitvoeren van dit experiment is de volgende voorkennis nodig: anatomie van de bloedsomloop, systolische en diastolische bloeddruk, druk, frequentie en trillingstijd (f=1/T), hydrostatische druk (druk van een vloeistofkolom: p = ρ·g·h).

Bestanden

Practicumhandleiding
Meetopstelling
Achtergrondinformatie