Informele kennis

Uit Wiki reken-wiskundeonderwijs

Ga naar: navigatie, zoeken

Home   All   A   B   C   D   E   F   G   H   I   J   K   L   M   N   O   P   Q   R   S   T   U   V   W   X   Y   Z   Categorieën               Vragen               Google-zoek               Pagina toevoegen       English       intern

Inhoud

Algemeen

Iedereen bezit al kennis, opgedaan door de omgeving te observeren, te luisteren naar anderen, te lezen en door te praten; door deze ervaringen in een reeds bestaand netwerkje op te slaan worden ze vertsrengeld en vastgelegd. Als je als leerkracht van groep 1 aan de kleuters vraagt naar jouw leeftijd, zal een van de kleuters misschien ‘80’ zeggen. De kans is groot dat een ander hierop reageert en zegt: ‘dat kan niet, want mijn opa is 80’ De kleuter heeft al een bepaalde referentiemaat die hij in zijn redenering gebruikt. Een ander voorbeeld is het startpunt van bijvoorbeeld de leerlijn ‘procenten’ bij het activeren van informele kennis die leerlingen hebben opgebouwd, voordat zij in aanraking zijn gekomen met de methode. De tekstuele inhoud van de opmerking ‘ik voel me niet helemaal 100%’ is voor een kind al een herkenbaar begrip. Veel kinderen hebben ook al enige notie van het procentbegrip. Zij zijn in staat om kortingen van 25 en 50% te interpreteren als ¼ en ½ deel eraf. Ook kunnen de meeste kinderen manipuleren met 10 % als 1/10 deel of zelfs met veelvouden hiervan. Ook doorzien sommigen al het relatieve karakter van procenten: 40 % korting op een artikel hangt af van de vraagprijs. Dit betekent dat het percentagebegrip als deel/geheel een belangrijke plaats krijgt.


Tijdens een studiedag (een nationale rekendag) moest een leerkracht van groep 8 een lijstje van beschikbare referentiematen opstellen: Hij noemde de volgende voorbeelden:

Inhoud

  • In een bekertje past 200 milliliter
  • In een pak melk zit 1 liter of 1,5 liter
  • Neusdruppels zijn 50 milliliter.

Gewicht

  • Een pak suiker weegt 1 kilo
  • Ik ben ongeveer 70 kilo
  • 3 ballen gehakt is 1 pond
  • je hebt zakjes aardappelen van 5 kilo

Oppervlakte

  • twee voetbalvelden is 1 hectare.
  • het zijstuk van het bord is 1 vierkante meter.
  • Een notitieblaadje is 1 vierkante decimeter

Lengte

  • Een grote stap is 1 meter
  • Tussen duim en wijsvinger zit 1,5 decimeter
  • De deur is ruim 2 meter hoog
  • Een voetbalveld is 100 meter lang
  • Een liniaal is 30 centimeter.

Tijd

  • Ik loop 5 kilometer per uur
  • Ik fiets 20 kilometer per uur
  • De auto gaat 100 kilometer per uur
  • Er gaan 24 uur in een dag
  • Het jeugdjournaal duurt 15 minuten

Eigenreferentiemaat

Afbeelding:Image013.jpg

Verwijzingen

Versies van dit document

Persoonlijke instellingen
GOOGLE