Taal van breuken

Uit Wiki reken-wiskundeonderwijs

Ga naar: navigatie, zoeken

Home   All   A   B   C   D   E   F   G   H   I   J   K   L   M   N   O   P   Q   R   S   T   U   V   W   X   Y   Z   Categorieën               Vragen               Google-zoek               Pagina toevoegen       English       intern

* intern

Inhoud

Algemeen

Bij breuken hoort een specifieke taal. Kennis van die taal is essentieel voor het begrip van breuken. Breuken hebben verschillende verschijningsvormen; de breuk als maatgetal: (¾ meter) en de breuk als deel-geheel relatie (1/3 deel van de leerlingen), en de breuk al verhoudingsgetal 5 op de 8 kinderen. Verder worden breuken op diverse manieren weergegeven met getallen en woorden: een vierde deel van 20, een kwart van 20, en 4 x 20. Door al vanaf de eerste fase bij het leren van breuken aandacht aan de breukentaal te geven ontwikkelen kinderen deze gaandeweg.

Het samen praten over breuken in diverse contexten ondersteunt het inzicht in de betekenis van breuken. Wanneer kinderen in groep 6 zitten, zijn ze vaak al op een informele manier in aanraking gekomen met breuken zoals een half, een kwart en dergelijke. In groep 6 wordt begonnen met het systematisch in kaart brengen van situaties waaruit breuken voortkomen. Dit kunnen meetsituaties of verdeelsituaties zijn (meetsituatie: ‘kinderen meten met een strook papier de lengte van hun tafelblad; de strook blijkt niet precies een geheel aantal malen in die lengte te passen; hoe kun je daarvoor een oplossing bedenken?’; verdeelsituatie: ‘verdeel een pizza onder vier kinderen; hoeveel krijgt ieder kind? hoe kun je dat benoemen?’). Ook de breuk als verhouding kan in deze fase explorerend aan de orde komen (‘3 op de 4 kinderen komen met de fiets naar school; de breuk 1/4 kan hier betekenisvol naar voren gebracht worden.’) . Langzaamaan krijgen breuken voor de kinderen een min of meer zelfstandige en gestandaardiseerde betekenis. Overigens beperkt de ontwikkeling van de breukentaal zich niet slechts tot deze eerste kennismaking met breuken. Ook in latere fasen in het leren van (het rekenen met) breuken wordt steeds (nieuwe) breukentaal ontwikkeld.

Vaktaal en formuleringen bij Breuken

Breuk Het begrip breuk kan meer betekenis krijgen als aandacht besteed wordt aan de oorsprong ervan (breken, gebroken maat). Via verdeelsituaties of meetsituaties ontstaan gebroken maten. Door dit te doen kan ook duidelijk worden dat een breuk ook een verhouding uitdrukt.

Stambreuken Een breuk waarvan de teller 1 is heet een stambreuk.

Benoemde breuken Bij benoemde breuken staat waarop de breuk betrekking heeft., bijvoorbeeld: 1/3 pannenkoek. Bij onbenoemde, kale breuken zoals 1/3 + 3/4 is het niet duidelijk waarop deze breuken betrekking hebben. Breuken krijgen meer betekenis als leerlingen zich er iets bij kunnen voorstellen, en dit geldt zeker bij het maken van sommen, 1/3 + 3/4 pannenkoek.

Teller/Noemer Het is belangrijk expliciet aandacht te besteden aan de oorsprong van de begrippen noemer en teller. De teller is het getal in een breuk boven de breukstreep. De teller telt, geeft aan, hoeveel stukken/delen er zijn. De noemer is het getal in een breuk onder de breukstreep. Het is de naam van de breuk, zo noemen we de breuk. In de breuk 4/7 is 4 de teller en 7 de noemer. De betekenisverlening van het begrip noemer kan ondersteund worden door de relatie te leggen tussen het werkwoord noemen en het begrip noemer.

Halve, helft, kwart Deze namen voor bepaalde stambreuken verdienen aandacht bij het verwerven van breukentaal.

Een vijfde, een tiende, … Het is van belang deze benamingen van breuken te onderscheiden van rangtelwoorden zoals het vijfde of tiende getal of voorwerp in een rij.

Gelijkwaardige breuken/Gelijknamige breuken Deze begrippen vereisen en toelichting over de betekenis ervan. Leerlingen halen de begrippen nog al eens door elkaar.

Verwijzingen

Versies van dit document

Persoonlijke instellingen
GOOGLE