Taal van meten

Uit Wiki reken-wiskundeonderwijs

Ga naar: navigatie, zoeken

Home   All   A   B   C   D   E   F   G   H   I   J   K   L   M   N   O   P   Q   R   S   T   U   V   W   X   Y   Z   Categorieën               Vragen               Google-zoek               Pagina toevoegen       English       intern

* intern

Inhoud

Algemeen

In het meetonderwijs wordt doorgaans veel aandacht besteed aan de omrekenregels. Maar uit de PPON onderzoek blijkt dat leerlingen in het basisonderwijs zwak presteren op het onderdeel meten. Het is de vraag of leerlingen wel inzicht hebben in het metriek stelsel. Om het meetonderwijs te verbeteren zou er meer expliciete aandacht moeten komen voor de taal van het metriek stelsel, voor het leren van de voorvoegsels (zoals kilo, hecto, deka, centi enz.) in het systeem van maten en meer aandacht voor toepassingssituaties die voor kinderen vertrouwd zijn.

Meter, gram, liter en seconde zijn de basis maateenheden voor respectievelijk lengte, gewicht, inhoud en tijd. Er worden steeds dezelfde voorvoegsels gebruikt om grotere en kleinere maten aan deze eenheidsmaten te verbinden. Door voorvoegsels als kilo, hecto, deca, deci, centi en milli heb je aan één eenheidsmaat (bijvoorbeeld de meter) voldoende om voor allerlei situaties passende lengtematen te construeren.

Een ander taalaspect bij meten betreft het praten over meetgetallen. Het is belangrijk dat kinderen leren om bij een meetgetal de juiste eenheid aan te geven ‘de lengte van de kamer is zeven meter’. Uit de manier waarop kinderen meetgetallen met een komma uitspreken, kun je soms iets afleiden over hun inzicht in de betekenis van meetgetallen. Een leerling die 3,25 m uitspreekt als ‘3 komma 25 meter’ gebruikt een abstracte formulering waarvan het de vraag is of die ook betekenis heeft. Wie zegt: ‘3 meter 25 ‘ getuigt al van meer inzicht in de betekenis van dit maatgetal. Maar een leerling die zegt ’drie en een kwart meter’ laat zien dat hij echt begrijpt wat dit getal betekent. Ditzelfde geldt voor een leerling die € 6,50 uitspreekt als 6 komma 50 euro in plaats van te zeggen: 6 euro 50 of 6 en een halve euro.

Vaktaal en formuleringen bij Meten

Grootheden Een grootheid is een kwantitatieve eigenschap van een voorwerp. In de onderbouw maken leerlingen kennis met grootheden zoals lengte, gewicht en inhoud. Ze leren de begrippen om de grootheden uit te drukken: lang, kort, zwaar, licht, leeg, vol. Later leren ze ook de namen voor inhoudsmaten. Naast het leren toepassen van het juiste begrip bij een bepaalde grootheid (zwaar om gewicht aan te duiden) is talige aandacht nodig voor de woorden waarmee we de vergelijkende, vergrotende en overtreffende trap van grootheden aanduiden: (bijna) even zwaar als, zwaarder dan, het zwaarst.

Samengestelde grootheden Hiervan is sprake als twee verschillende grootheden verhoudingsgewijs met elkaar worden vergeleken. Zo wordt in de (gemiddelde) snelheid de afgelegde weg verhoudingsgewijs vergeleken met de daarvoor benodigde hoeveelheid tijd. Praten met leerlingen over de betekenis van dergelijke lastige begrippen is nodig.

Voorvoegsels In het metriek stelsel gebruiken we voorvoegsels zoals centi en milli. Leerlingen zouden er baat bij hebben als er meer expliciet aandacht besteed moeten worden aan de betekenis van de namen waarmee we maateenheden aanduiden. We zouden kinderen ervan bewust kunnen maken dat het woord kilogram bestaat uit 2 stukken: ‘ kilo’ en ‘ gram’. Het eerste deel (kilo) zegt iets over hoevéél het is dat je meet, het tweede deel zegt iets over de gemeten grootheid, over wát je meet (gewicht). We gebruiken de volgende voorvoegsels bij meten kilo : duizend, hecto: honderd, deca : tien, deci: een tiende, centi: een honderdste, milli: een duizendste, micro: een miljoenste, nano: een miljardste. Het is niet de bedoeling deze begrippen los van een context te oefenen, maar langzamerhand te introduceren. Hierbij kunnen de in het TAL project ontwikkelde poster (en lessen) ondersteuning bieden (Gravemeijer et al., 2007).

Referentiematen De betekenis van maten kan vergroot worden door deze te laten verbinden met voor leerlingen bekende objecten en situaties in de werkelijkheid. Dit worden referentiematen genoemd. Hierbij kunnen leerlingen zelf concrete voorbeelden bedenken om de betekenis te geven aan bepaalde maten, aan bepaald meetfeiten.. Hierbij kan lengte het best als basis dienen. Bijvoorbeeld: bij een cm denk ik aan de dikte van mijn duim, bij een meter denk ik aan een grote stap of de lengte van mijn tafel, bij een decameter denk ik aan de lengte van de gang, of van het fietsenhok, bij een hectometer denk ik aan de lengte van een voetbalveld, bij een kilometer denk ik aan de afstand tussen huis en school, of tussen huis en de supermarkt.Leerlingen kunnen op dezelfde manier referenties opbouwen voor gewicht en inhoud. Dergelijke eigen beschrijvingen bieden leerlingen ondersteuning bij het geven van betekenis aan maten; leerlingen kunnen ze ook gebruiken als spiekblaadje.

Eenheden Deze worden vaak alleen geassocieerd met discontinue grootheden (zoals blokjes) of met getallen (eenheden, tientallen enz.). Maar ook bij discontinue grootheden (zoals lengte) is er sprake van eenheden (cm).

Omtrek Om dit begrip te leren kan de relatie gelegd worden met iets ‘omtrekken’, een voorwerp op papier leggen en de buitenkant met pen of potlood omtrekken.

Oppervlakte is een wiskundige term die niet hetzelfde betekent als oppervlak. Dit onderscheid verdient aandacht bij het leren bepalen van oppervlaktes.

Natuurlijke maten Dit zijn informele maten die we gebruiken voor het meten. Zo kunnen we voor het meten van lengte een hand of voet(stap) gebruiken, en voor het meten van gewicht een zak van een kilo suiker. Met dergelijke maten kunnen alleen schattingen gemaakt worden.

Standaardmaten zijn maten die eenduidig zijn en waarvan andere maten zijn afgeleid. Meter, gram, liter en seconde worden doorgaans gezien als standaardmaten voor respectievelijk lengte, gewicht, inhoud en tijd.

Verwijzingen

Versies van dit document

Persoonlijke instellingen
GOOGLE