Taal van tabellen, grafieken en formules

Uit Wiki reken-wiskundeonderwijs

Ga naar: navigatie, zoeken

Home   All   A   B   C   D   E   F   G   H   I   J   K   L   M   N   O   P   Q   R   S   T   U   V   W   X   Y   Z   Categorieën               Vragen               Google-zoek               Pagina toevoegen       English       intern

* intern

Inhoud

Algemeen

Verbanden tussen grootheden kunnen worden weergegeven in een tabel, een grafiek, een (woord)formule of door een beschrijving in woorden. Met elk van deze representaties zijn bepaalde begrippen (vaktaal en schooltaal) verbonden die leerlingen moeten leren om erover te kunnen praten. Bijvoorbeeld, bij een tabel gaat het om vakbegrippen zoals kolom en rij, bij grafieken om vakbegrippen zoals: horizontale en verticale as, en coördinaten. Bij grafieken hoort ook bepaalde taal.

Achtergronden

Taal speelt een rol bij het praten over elk van deze representaties, maar ook bij het toelichten hoe je de gegevens uit de ene representatie weergeeft in een andere representatie. Bijvoorbeeld om het verloop van een grafiek te beschrijven: eerst stijgt de grafiek langzaam, dan blijft hij constant, daarna….. Of bij het overnemen van gegevens uit een tabel om een grafiek te tekenen waarbij het erom gaat dat leerlingen kunnen beredeneren welke gegevens op de horizontale as en op de verticale as zijn gerepresenteerd, hoe de assen zijn ingedeeld, hoe ze coördinaten bepalen enz. Ook moeten leerlingen leren om over grafieken te praten, zowel in wiskundige termen als in termen van wat een grafiek weergeeft.

Tabellen worden vaak pasklaar aangeboden. Het samen met leerlingen construeren van een tabel bij een beschrijving in woorden vanuit informele notaties kan eraan bijdragen dat leerlingen zich bewuster worden van wat een tabel is, hoe je er systematisch gegevens in kunt noteren en wat een kolom en een rij is. Dit biedt leerlingen de mogelijkheid eenduidig (op formeel niveau) over tabellen te praten

Formuleringen en begrippen bij tabellen

Kolom/Rij: begrippen waarmee leerlingen op meer formeel niveau over tabellen kunnen praten. (het tweede getal in de bovenste rij)

Tabel Door een onderscheid te maken tussen ’verhoudingstabel’ en ‘gegevenstabel’ leren leerlingen wat de verschillen daartussen zijn en welke rekenregels zijn toegestaan.

Verhoudingstabel Een verhoudingstabel is een bepaald soort tabel waarmee je overzichtelijk kunt rekenen en bepaalde rekenregels zoals halveren en verdubbelen kunt toepassen. Dit kan niet bij alle tabellen.

Gegevenstabel: In een gegevenstabel kan er een bepaald verband zijn tussen de gegevens maar dit hoeft niet. Dit is onder andere het geval bij een verhoudingstabel.

Gegevens en Gegevens verwerken: Dit zijn schooltaal begrippen die ook bij andere vakken gebruikt worden.

Formuleringen en begrippen bij Grafieken

Leerlingen weten niet altijd het onderscheid tussen een assenstelsel en een grafiek, of ze weten soms niet precies hoe de verschillende onderdelen van een assenstelsel heten. Voor het leren van deze begrippen kan men leerlingen in een gegeven assenstelsel met een grafiek alle begrippen op de juiste plaats erbij te laten schrijven. Het actief leren gebruiken van de vakbegrippen wordt ook gestimuleerd door als leerlingen bij bepaalde gegevens zelf een assenstelsel en een grafiek tekenen en erbij vertellen welke achtereenvolgende stappen ze daarbij nemen: een titel aan een grafiek geven, assenstelsel tekenen, assen benoemen, assen indelen: stapgrootte bepalen enz. Illustratief hierbij is de wijze waarop je met een pakket zoals Excel grafieken kunt tekenen. Allerlei aspecten die hiervoor genoemd worden zijn, worden door de grafiek wizard afgedwongen.

Relevante vakbegrippen die expliciete aandacht vragen zijn:

  • Assen
  • Assenstelsel
  • Horizontale en verticale as
  • Lijngrafiek
  • Grafiek
  • Staafgrafiek/staafdiagram
  • Cirkeldiagram
  • Oorsprong
  • Snijpunt
  • Stapgrootte
  • Coördinaten
  • Zaagtand/Scheurlijn

Naast kennis van deze vakbegrippen moeten leerlingen ook beschikken over taal om het verloop van een grafiek te beschrijven waarbij ze woorden gebruiken zoals: stijgen, dalen, vloeiende lijn, geleidelijk, verloop, en constant. Bijvoorbeeld: eerst stijgt de grafiek langzaam, dan zien we een snelle stijging, daarna daalt de grafiek geleidelijk, en vervolgens blijft de grafiek constant. Daarom moeten leerlingen de volgende begrippen leren kennen om over het verloop van lijngrafieken te kunnen praten. Relevante begrippen bij het praten over het verloop van lijngrafieken:

  • Verloop
  • Stijgen
  • Dalen
  • Constant
  • Geleidelijk
  • Langzaam/snel dalen (en stijgen)
  • Vloeiende lijn
  • Toename

Verwijzingen

Versies van dit document

Persoonlijke instellingen
GOOGLE